Advertentie

Onhandige motoriek

Ziektebeeld

Ongeveer 5-10% van de kinderen valt op door een onhandige, houterige motoriek. In verhouding wordt het wat meer bij jongens gezien dan bij meisjes. Een andere naam hiervoor is DCD, hetgeen staat voor Developmental Coordination Disorder. Het werd vroeger ook wel als dyspraxie, minimal neurological dysfunction (MND), clumsiness en nog met ettelijke andere termen beschreven.

Deze motorische onhandigheid uit zich in zowel de grove als de fijne motoriek. Deze kinderen hebben moeite met gymnastiek en sportbeoefening. Ze vallen makkelijker en missen een soepele beweging. Daardoor oogt hun motoriek ook houterig. De coördinatie is niet voldoende om tussen dat wat ze zien en vervolgens willen doen goed op elkaar af te stemmen.

In de fijne motoriek is het vaak herkenbaar in het schrijven en tekenen, dat met een krampachtige pengreep vergezeld gaat. Ook fijnmotorische dingen als knippen, kralen rijgen, veters strikken, knoopjes aan kleren open en dicht doen en met mes en vork eten gaan hen moeilijker af dan anderen.

De ontwikkeling van de motoriek is vertraagd. Dat is ook te herkennen aan de ontwikkelingsmijlpalen, die bij kinderen met DCD vaak vertraagd ten opzichte van de leeftijdgenoten worden doorlopen. Zo zijn zij later met omrollen, kruipen en loslopen. Behalve dat de ontwikkeling vertraagd verloopt, is het ook te zien dat de kwaliteit van bewegen niet soepel is. Dit gebrek aan vloeiendheid in de beweging kan tot op volwassen leeftijd blijven bestaan.

Oorzaken

Er is niet één oorzaak voor DCD. Waarschijnlijk spelen zowel erfelijke factoren als oorzaken in de hersenontwikkeling bij het kind zelf een rol bij het ontstaan ervan. Zo wordt het nogal eens gezien dat het in één familie voorkomt. Ook broertjes of zusjes hebben het dan in meer of mindere mate.

Bekend is het voorkomen van DCD in de groep kinderen die veel te vroeg zijn geboren (prematuren), kinderen met een laag geboortegewicht  (dysmaturen) of bij kinderen die rond de geboorte problemen hebben gehad hetgeen zich uitte in een lage Apgar score.

DCD wordt veel vaker dan in de gewone bevolking, waar het percentage op 5-10% wordt geschat gezien bij kinderen met PDD-NOS en bij ADHD. Bij deze laatste groep ligt het percentage wel op 33%.

Onderzoeken

DCD kan niet via bijvoorbeeld laboratoriumonderzoek of röntgenonderzoek worden vastgesteld. De diagnose wordt gesteld door te luisteren naar het verhaal dat de ouders vertellen over de ontwikkeling van hun kind en de problemen die het heeft op het gebied van bewegen. Analyse van de wijze waarop het kind beweegt kan dan vervolgens duidelijkheid geven of het om DCD gaat.

Deze onderzoeken worden door een kinderfysiotherapeut of door een therapeut in een revalidatiecentrum verricht.

Vaak maakt men gebruik van de zogenoemde Movemement ABC test. Dit is een test waarbij er wordt gekeken naar de grove en de fijne motoriek en naar balvaardigheid.

Behandeling

Behandeling van kinderen met DCD gebeurt vaak door een kinderfysiotherapeut of door de ergotherapeut. Er wordt gewerkt aan het stimuleren van het kind in het doen van alledaagse dingen, zoals schoenveters vastmaken, tekenen en schrijven.

Vaak is er ook sprake van een verminderd zelfgevoel ten aanzien van de grove motoriek. Doordat het kind merkt dat hij minder handig is met veel oefeningen verliest het zijn zelfvertrouwen. Op zichzelf geeft deze onzekerheid weer aanleiding tot een verslechtering van de motoriek.

Door het kind te begeleiden bij het doen van gymnastiek en sport en daarvoor complimenten te geven wordt het zelfvertrouwen weer verbeterd. Juist bij kinderen met ADHD is het zelfvertrouwen al verminderd omdat ze veel negatieve opmerkingen krijgen over hun gedrag en werkhouding. Door ze steeds een pluim te geven als dingen wèl goed gaan werkt dit op alle gebieden mee aan hun ontwikkeling. 

Logopedische hulp kan nodig zijn om de spraak te verbeteren, die bij kinderen met DCD vaak onduidelijk en slordig is. Ook komt er vaker stotteren bij voor, waarvoor de logopedist ook oefeningen heeft.

In revalidatiecentra bestaan er vaak DCD behandelgroepjes. Kinderen oefenen hier samen met elkaar. Het biedt hen ook de kans om te ontdekken dat er veel kinderen dezelfde problemen ondervinden die zij zelf hebben. Zo verbetert dit het vaak negatieve zelfbeeld dat ze hebben gekregen over bewegen en grove en fijne motoriek.

Veelgestelde vragen

Gaat DCD over?

Antwoord: DCD moet eigenlijk worden gezien als een onvoldoende uitrijping van motorische systemen. Er zijn kinderen die deze uitrijping doormaken en daarna in het geheel niet meer opvallen door een onhandige motoriek. Zij zijn het dus overgroeid. Hiervoor is niet altijd de hulp van therapeuten nodig. Het dagelijks leven biedt kinderen al genoeg oefeningen. Bij anderen blijft het bestaan tot op volwassen leeftijd, ondanks de therapie die daarvoor is gegeven.

Waarom hebben zoveel kinderen met ADHD ook DCD?

Antwoord: Vermoedelijk spelen erfelijke factoren hierbij een rol. Van de kinderen met ADHD heeft een relatief groot percentage ( 30%) ook DCD. Het moet daarom als een bepaalde groep binnen de groep kinderen met ADHD worden beschouwd. Zie ook meer weten.

Meer weten

Uit onderzoek bij kinderen met ADHD blijkt dat een derde van hen ook flinke motorische problemen heeft, die passen bij de diagnose DCD. Bij de groep met impulsiviteit en hyperactiviteit staat het minder op de voorgrond. Het zijn vooral de kinderen waarbij er een concentratieprobleem bestaat die dit blijken te hebben. Hierbij wordt het overigens even vaak bij jongens als bij meisjes gezien. Er zijn bij de kinderen met ADHD ook bij genetisch onderzoek plaatsen op het DNA gevonden die met een dergelijk motoriek probleem samenhangen.