Advertentie

Baby of kind met een ontwikkelingsachterstand

Ziektebeeld

Op het consultatiebureau wordt de ontwilkkeling van de baby en peuter gevolgd aan de hand van het van Wiechenschema. Hierbij wordt er gekeken of het kind op een zekere leeftijd een bepaalde mijlpaal in de ontwikkeling heeft bereikt.

Er wordt gekeken naar de ontwikkeling van de motoriek, maar ook naar de geestelijke en psychische ontwikkeling die de baby doormaakt. Wanneer een kind op slechts één onderdeel onvoldoende scoort is dit nog niet meteen reden om bezorgd te zijn. Pas bij het niet halen van meerdere mijlpalen die hadden moeten worden bereikt is dat reden voor zorg en ook reden voor verder onderzoek bij het kind.

Ontwikkeling is geen gelijkmatig proces. Sommige functies worden sneller doorlopen dan andere en ook is er geen vaste volgorde die beslist moet worden afgewikkeld. Hoe die ontwikkeling verloopt is voor een groot deel vastgelegd door erfelijke factoren. Dit kan je bijvoorbeeld zien aan de leeftijd waarop in het ene gezin kinderen al kunnen loslopen en in het andere het nog wel maanden kan duren voor ze daar aan toe zijn. Een ander deel wordt bepaald door omgevingsinvloeden. Als een kind bijvoorbeeld veel wordt gestimuleerd bij zijn spel en als er veel tegen hem wordt gepraat, dan zal de ontwikkeling op de gebieden van motoriek en taalontwikkeling sneller kunnen verlopen.

Bij sommige kinderen is het duidelijk dat de ontwikkeling is vertraagd doordat er bij hen sprake is van een bepaald syndroom, doordat ze extreem vroeg en/of licht zijn geboren, of dat er sprake is van een beschadiging door complicaties rondom de geboorte. Zie Oorzaken.

Wanneer alle genoemde oorzaken niet aannemelijk lijken en er dus geen herkenbare oorzaak lijkt te zijn, wordt er gesproken van een geïsoleerde ontwikkelingsachterstand.

Oorzaken

  • Sommige chromosoomafwijkingen geven een achterstand in de ontwikkeling, zoals bij bepaalde syndromen. Zo moet bij jongens altijd worden gedacht aan het Fragile X syndroom. Een bekend syndroom dat met een vertraagde ontwikkeling samenhangt is het syndroom van Down. 
  • Stofwisselingsziekten gaan vaak gepaard met een ontwikkelingsachterstand. Voor een op zich wel klein aantal ervan kan bij vroege herkenning een behandeling worden gegeven. Daarom zijn deze opgenomen in het onderzoekprogramma voor de hielprik.
  • Oorzaken rondom de geboorte, gepaard gaande met mogelijk zuurstoftekort.
  • Neurologische ziekten.
  • Ernstige vroeggeboorte of laag geboortegewicht.

Onderzoeken

Allereerst wordt er heel veel aan de ouders gevraagd over hun eigen ontwikkeling en over het verloop van de zwangerschap en bevalling. Vooral de ontwikkeling van de motoriek, dus het omrollen, kruipen en gaan lopen zijn nogal erfelijk bepaald. Wanneer in een gezin alle kinderen bij een jaar al losliepen, maar dit bij een volgend kind bij twintig maanden nog niet het geval is, kan dat een signaal zijn, maar het hoeft ook nog niets te betekenen te hebben. Dat maakt beoordeling vaak lastig.

Vervolgens wordt er precies naar de baby gekeken. Er wordt gelet op de groei en schedelomtrek. vervolgens wordt er gekeken welke indruk de baby maakt. Of hij alert is en bewegelijk of tamelijk passief blijft liggen. Daarbij kijkt men naar de neurologische toestand.

Bijzondere aandacht krijgt daaarbij de spierspanning en de wijze van bewegen van het kind.

Er zijn een aantal kenmerken, die als ze aanwezig zijn altijd een reden vormen naar de oorzaak ervan te zoeken. Dit is omdat ze vrijwel zeker duiden op een lichamelijke oorzaak voor de ontwikkelingsachterstand. De hierbij opgegeven leeftijd gaat uit van de uitgerekende datum van de baby of het kind.

  • Op elke leeftijd het niet reageren op geluid
  • Op de leeftijd van twee maanden nog niet hebben gelachen naar de ouders
  • Bij twee maanden nog niet naar de eigen handjes hebben gekeken
  • Op de leeftijd van drie maanden nog geen volgbewegingen maken met de oogjes
  • Geen brabbelgeluiden maken bij vier maanden
  • Ontbreken van hoofdbalans bij drie maanden
  • Moro-reflex nog aanwezig bij vier maanden
  • Nog geen stand maken op de beentjes bij vier maanden
  • Op de leeftijd van vier maanden nog niet grijpen naar voorwerpen voor zich
  • Bij vijf maanden nog geen poging doen tot omrollen
  • Op de leeftijd van vijf maanden nog een nekstrek-reflex vertonen
  • Geen spontane lach bij vijf maanden
  • Nog geen herkenbare woordjes als papa en mama bij 12 maanden
  • Bij achttien maanden nog geen beschikking over 12 woorden
  • Nog niet kunnen loslopen bij 19 maanden

Ook een te lage of te hoge spierspanning is een reden om verder onderzoek in te zetten. Men moet daarbij bedenken dat kinderen met een motorische achterstand, door neurologische beschadiging, daarvan lang niet altijd in het eerste jaar verschijnselen hoeven te hebben. Ook kinderen met bijvoorbeeld een cerebrale parese vertonen dit nog niet duidelijk op jonge leeftijd.

Anderzijds kan het ook zijn dat een lage spierspanning of een normale spierspanning in de loop van de tweede helft van het eerste jaar geleidelijk over gaat in een hoge spierspanning.

Medische onderzoeken die kunnen worden ingezet zijn laboratorium onderzoek naar de algemene toestand, chromosomenonderzoek, stofwisselingsonderzoek. Verder kan de oogarts of orthoptist, kinderneuroloog, kinderfysiotherapeut, logopedist en klinisch geneticus in consult worden gevraagd. Hieruit is al wel op te maken dat het lang kan duren voordat ereen diagnose is gesteld. Daarbij is het ook nog goed om te weten dat bij ongeveer de helft van de kinderen met een ontwikkelingsstoornis er geen afwijking wordt gevonden.

Behandeling

Bij een herkenbare afwijking zal er in die richting verder onderzoek en later een eventuele behandeling worden ingezet.

Voor het kind met een geïsoleerde ontwikkelingsachterstand, waarbij er dus geen specifieke dingen worden gevonden, zal er vaak een verwijzing naar de kinderfysiotherapeut volgen.

Door stimulatie van de mototriek wordt bij bepaalde kinderen de achterstand ingelopen. Bij anderen blijft er altijd iets bestaan van een onhandige motoriek. Dit wordt bijvoorbeeld gezien bij kinderen met Developmental Coordination Disorder (DCD). Soms hebben kinderen later toch meer kans op leerproblemen. Hiervoor zijn echter als het kind nog jong is erg slecht voorspellingen te geven.

Veelgestelde vragen

Haalt mijn kind de achterstand in?

Antwoord: Het antwoord hierop is erg moeilijk te geven bij kinderen met een geïsoleerde ontwikkelingsachterstand. Vaak zie je dat met bijvoorbeeld kinderfysiotherapie veel wordt ingehaald. Ook spontaan kunnen kinderen spontaan een bepaalde achterstand inlopen. Dat maakt het ook voor artsen moeilijk om uitspraken ten aanzien van de prognose te doen.

Meer weten

Hieronder is in een overzicht aangegeven waarop het grootste deel van de kinderen een bepaalde activiteit zal kunnen uitvoeren. Er is te zien dat er een grotere spreiding in leeftijd voorkomt naarmate het kind ouder wordt. De hoofdbalans is gemiddeld stabiel bij 2-3 maanden met een spreiding daarin van een maand, maar bij het loslopen is te zien dat het ene kind dit doet bij 10 maanden terwijl een ander het pas met 16 maanden kan. De spreiding is nu wel 6 maanden tussen een kind met een snelle ontwikkeling en één met een wat langzamere.

Leeftijd in maanden 0  1  2  3  4  5  6  7  8  9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20
Keuvelen   •                                       
Communicatief lachen    •  •                                    
Volgbewegingen ogen en hoofd     •  •  •                                  
Hoofdbalans       •  •                                
Rollen, rug → buik         •  •  •                              
Rollen buik → rug         •  •  •  •  •                          
Grijpen, 1 voorw. vasthouden         •  •  •                              
Kruipen – tijgeren           •  •  •  •  •  •                      
Grijpen, 2 voorw. vasthouden             •  •  •  •                        
Brabbelen               •  •  •  •  •                    
Los zitten               •  •  •  •  •                    
Gaan zitten                 •  •  •  •  •  •                
Kruipen op handen en knieën                 •  •  •  •  •  •                
Grijpen, 3 voorw. vasthouden                   •  •  •  •  •  •              
Lopen met hulp                   •  •  •  •  •  •  •            
Los staan                  •  •  •  •  •  •  •  •  •  •      
Eerste woordjes                      •  •  •  •  •  •  •  •        
Los lopen                       •  •  •  •  •  •  •  •  •  •  

Leeftijden waarop bij een kind spontaan een bepaalde functie verschijnt (naar Touwen 1984)